
Op 10 juli 1999, in het 66ste jaar van zijn leven, overleed dr. István Túri, de bekendste meester en docent van de groenteonderglasteelt.
Hij werd op 7 december 1933 geboren in Cegléd. Lager en middelbaar onderwijs volgde hij eveneens in Cegléd, in 1952 behaalde hij zijn eindexamen aan het Kossuth Lajos Gimnázium. In 1957 behaalde hij zijn diploma aan de Hogeschool voor Tuinbouw en Wijnbouw, vanaf 1958 doorliep hij aan dezelfde Hogeschool en later aan de Universiteit voor Tuinbouw de verplichte academische rangen, van wetenschappelijk stagiair tot hoofddocent. Op eigen verzoek vroeg hij in 1993, op 60‑jarige leeftijd, om met pensioen te mogen gaan.
Sinds de oprichting (1990) was hij onderzoeksdirecteur van PRODUKT Kutató, Fejlesztő, Termelő Kft., en tot aan zijn dood was hij de geestelijke leider van de veredeling van paprikarassen en de zaadproductie van de veredelde hybriden.
Zijn wetenschappelijke werk begon onder leiding van professor András Somos. Op basis van zijn in 1962 geschreven dissertatie over de inventarisatie en analyse van het groenteteeltgebied rond Nagykőrös verwierf hij de titel van universitair doctor.
Als eerste onderzoeksopdracht onderzocht hij de mogelijkheden van groenteteelt op arme zandgronden zonder organische mest. Van de technische vraagstukken zijn met zijn naam verbonden: het gebruik van kunststof in de tuinbouw, de ontwikkeling van draagconstructies voor verschillende teeltsystemen, de uitwerking van verwarmingssystemen, de uitbouw van verschillende typen ventilatie- en irrigatiemethoden, de ontwikkeling van meerdere varianten van dubbele afdekking, de planning van typen bedrijven met en zonder verwarming, en niet in de laatste plaats de methode met watergordijn.
Samen met zijn medewerkers werkte hij methoden uit voor het gebruik van onverwarmde voorzieningen met en zonder verplaatsing, en voor het enkel- en tweefasig gebruik van verwarmde voorzieningen; zij onderzochten de mogelijkheden van herfst- en winterteelt onder glas. Door het introduceren van nieuwe rassen en rastypen in de teelt en het invoeren van nieuwe teelttechnische procedures heeft hij eveneens blijvende resultaten neergezet.
Rekening houdend met de beschikbare financiële middelen, was hij ongetwijfeld tot op heden de meest succesvolle Hongaarse paprikaveredelaar. Dat blijkt niet alleen uit het aantal (21) van zijn erkende en aangemelde rassen en hybriden, maar vooral uit hun gebruikswaarde. Ook de in Hongarije nog altijd populairste vroege witte kaspaprika (HRF F1) bewijst het uitzonderlijke gevoel waarmee hij te werk ging bij het plannen van de kruisingen en het selecteren van de ouderlijnen. Daarnaast zijn onder zijn leiding onder meer de rassen Hó F1, Pritavit F1, Kaméleon F1, Velence F1, Titán F1, alsook de rassen in beproeving Bajnok F1 en Kápia F1 veredeld. Ook het door hem en zijn medewerkers verzamelde veredelingsmateriaal is van grote betekenis en kan borg staan voor de voortzetting van zijn levenswerk. Onder zijn leiding werd een specifieke methode voor de productie van hybride zaden uitgewerkt, die ook octrooibescherming kreeg en de basis werd voor de werking van de sector van de hybridezaadproductie.
De veelzijdigheid van dr. István Túri kwam vooral tot uiting in zijn onderzoek op het gebied van de constitutiebiologie. Hij introduceerde de begrippen trage, middelmatige en snelle groeitypen, bepaalde de voorwaarden voor hun ontstaan en ook de mogelijkheden om deze te veranderen. In een zeer vroeg stadium herkende hij veranderingen in de ontwikkeling van planten. De technologische aanpassingen die hij in zulke gevallen voorstelde, bleken in de overgrote meerderheid van de gevallen terecht. Túri, de docent, gaf les aan universiteitsstudenten en praktiserende tuinders; zijn voordrachten waren veelal zeer aanschouwelijk, doordrenkt met humor en bijzonder boeiend.

Ook de organisatie van de gelijktijdige vaktechnische voorlichting is aan zijn naam verbonden: al eind jaren 60 en begin jaren 70 organiseerde hij cursussen in Soroksár. Hij zette meerdere tentoonstellingen op aan de Universiteit voor Tuinbouw. De bekendste waren die welke gepaard gingen met conferenties over paprika-, meloen- en komkommerteelt. De door hem bedachte zaadbeurs organiseren wij sinds 1981 jaarlijks, tot volle tevredenheid van de groentetelers en de bedrijven die zaaizaad verhandelen.
Zijn vakpublicaties werden gekenmerkt door de streven naar begrijpelijkheid en de beschrijving en overdracht van praktische handgrepen. Meer dan honderd populair-wetenschappelijke artikelen van zijn hand zijn verschenen, voornamelijk in het tijdschrift Kertészet és Szőlészet. Zijn boeken over teelt onder folie waren eveneens geliefd. Het boek Kertészet fólia alatt (mede‑auteur: Béla Fodor) was het eerste agrarische vakboek waarvan meer dan honderdduizend exemplaren werden verkocht. Hij werd er met een kwaliteitsprijs voor bekroond. Daarop, evenals op zijn werk waardoor hij de Orde van de Arbeid ontving, was hij altijd trots.
In de laatste 10‑15 jaar kregen zijn geschriften ook een filosofische toon. Een voorbeeld hiervan zijn zijn boeken Növényalkat (mogelijkheid en beperking voor het verhogen van de opbrengst) en Az élet korlátai (waarin hij de menselijke aspecten van de constitutiebiologie samenvat). Hij begon ook aan een boek dat de geesteswereld, de wereld van de goden verkent. Hij sprak er veel over, hij had het zeer graag willen voltooien, maar dat is hem niet meer gelukt. Wanneer men informeerde naar zijn wetenschappelijke werk en publicaties, antwoordde hij meestal: „Ik onderschat het aantal boeken, nieuwe rassen, octrooien, onderscheidingen en wetenschappelijke graden niet, maar ik beschouw die niet als het belangrijkste, daarom houd ik mij niet met cijfers bezig. In het vak acht ik van al het genoemde en daarbuiten alleen die activiteiten belangrijk die de tuinbouw vooruit helpen.”
Voor zijn organisatorische werk had hij volharding, soms zelfs koppige vasthoudendheid nodig; anders had hij het experimentele terrein van de Afdeling Groenteteelt niet kunnen realiseren. In het Proefbedrijf van Soroksár getuigen vandaag de dag nog vele gebouwen, constructies en folieserres van zijn onvermoeibare organisatiekracht, zijn zoektocht naar vernieuwing en zijn rijkdom aan ideeën.
Ook aan zijn destijds talrijke medewerkers besteedde hij veel aandacht. Voor kwaliteitswerk vond hij meerdere eisen belangrijk: uitleggen, laten opschrijven, terugvragen, uitvoeren, controleren. Slordigheid, onverschilligheid en luiheid lagen hem niet, maar hij waardeerde strijdlust, doelgerichte en waarde scheppende arbeid. Hij had ook veel achting en respect voor die medewerkers en collega’s die het nieuwe herkennen en het ondersteunen, zelfs als zij er niet als eersten op gewezen hebben.
Hij zei meer dan eens dat, als hij over een almachtige toverstaf zou beschikken, hij minstens drie dingen zou doen: de teeltinstallaties met kunststof afdekking zou hij voor een week stilleggen, om zo hun belangrijke rol in de dagelijkse groente- en fruitsalades en in het gebruik van sierplanten te laten zien; hij zou de mogelijkheden tonen die wij in verband met gesloten ruimten tot nu toe nog niet hebben benut; „en ik zou niet voor een week, maar voorgoed een einde maken aan de ziekte van meesterlijk uit verstandige woorden en zinnen opgebouwde nietszeggendheid,” zo zei hij.
Zoals iedereen had ook hij zijn fouten en vergissingen. In zulke gevallen placht hij te zeggen: „Geen van ons is een engel.” Dergelijke kleinere en grotere misstappen en vergissingen vergaf hij ook zijn medewerkers, zolang hij er geen kwaadwilligheid of opzet achter ontdekte.
Bij zijn pensionering hield hij geen banketten of feesten, hij nam met enkele woorden afscheid en wellicht was zijn laatste zin: „Ik zou de zaak van de tuinbouw graag nog lange tijd willen dienen!”
Helaas kon die wens niet volledig in vervulling gaan. Hij leeft enkel nog verder onder ons in zijn rassen, zijn geschriften en zijn geestelijke nalatenschap.
János Gyúrós